Tom van Rossum


‘Op een grote paddenstoel rood met witte stippen zat kabouter Spillebeen heen en neer te wippen’, zingt zachtjes een moeder achter mij in de trein. Ongemerkt gingen ook mijn knieën een beetje heen en neer. ‘Krak zei toen die paddenstoel met een diepe zucht...’, gaat de moeder verder.

‘Wat een domme kabouter is dat! Wie gaat er nou zitten wippen op een paddenstoel’, roept het jongetje uit. Als vanzelf dwaal ik terug in de tijd. De peuterschool. De geur van de zandbak. Het stoepje waar we opzaten om onze belevenissen te vertellen. In de klas zongen we ook vaak dat liedje van kabouter Spillebeen. Zo onschuldig allemaal. Gilhuis heette de juf. Zij kon inderdaad hard gillen. Mijn grote zus was daar ook juf. Wij liepen samen naar school. Een heel end was het. Zij met hele grote stappen want ze had lange benen. Ik moest bijna drie keer zo hard lopen om haar bij te houden. Zodra we in de straat van de school kwamen liet ik snel haar hand los. Niemand mocht zien dat zij mijn zus was. Zelf werd ik ook vaak ‘Spillebeen’ genoemd. Niet omdat ik op een kabouter leek maar omdat ik dunne beentjes had. Tussen de middag at ik wit brood met extra gekleurde hagelslag om dikkere benen te krijgen. Het was mijn taak om onder de tafel de kruimeltjes op te rapen. Ondertussen moest ik altijd stiekem kijken naar die lange benen van mijn zus en vroeg me af hoe zij moest plassen met al die kleren aan.

De trein stopt. Ik word letterlijk en figuurlijk heen en weer geslingerd. Het achtste kind was ik in de reeks. Na mij kwamen er nog twee. Nog jarenlang geloofde ik in sprookjes. Zo gaat het verhaal dat mijn ouders mij gekocht hadden in een babywinkel. Sprookjes en kinderverhalen zaten kennelijk in mijn genen want later, veel later ontdekte ik opnieuw de drang om voor kinderen te gaan schrijven. Afgelopen december nam ik zelfs een kerstkaboutertje mee van huis om bijgaande foto te maken in het bos: Spillebeen in kerstsfeer.